Fontaine hollšndisch
   
 

Home
Fabeln
Das Mittelalter
Gedichte
Gšste

 

 

 

 

 

 

 


Fabelverzeichnis

                                                         


De illustraties zijn van Granville Hij was een franse graveur en maakte illustraties.

Index
 
De Krekel en de Mier
De Raaf en de Vos
De Kikker die even groot als een os wilde zijn
De raad der ratten
De leeuw en de rat
De oorlog van de ratten en de wezels
Het visje en de visser
De ezel met de relikwieŽn
De koets en de vlieg

 


De Krekel en de Mier

De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras
"Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied."
Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet!"
Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest.
"Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest
Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vůůr augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug!"
"Je weet dat ik aan niemand leen,"
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.
"Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?"
"Ik zong voor jou," zei zacht de krekel.
"Daaraan heb ik als mier een hekel!
Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm!"

Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.

De Raaf en de Vos

Meester raaf, in 't wilgenboschjen,
Hield een kaashomp in den bek.
Reintjen rook het : in zoo'n kostjen
Had de snoepert ook wel trek.
"Wees gegroet!" zei 't looze vosjen,
"Waarde Heer Van Ravenhorst!
"Edel voorhoofd, fiere borst,
" Om uw schoonheid nooit volprezen!
"Is uw zangstem ook zoo mooi
"Als uw rijke vedertooi,
"Dan moet gij een Fenix wezen!"
Door dit allervriendelijkste woord
Voelt de raaf zich veel bekoord.
Nu, zijn stem - die moest bevallen.
Rein zou 't hooren! Een, twee, drie,
Opent hij den bek - maar zie!
MŤt laat hij zijn kaashomp vallen.
Reintjen smult en lekt zijn baard:
"Weet, amice! vleiers fleemen
"Om hun hoorders beet te memen.
"Zulk een lesjen, bij mijn staart!
"Is toch wel een kaashomp waard."
En de raaf? - werd bijster kwaad,
En hij zwoer nooit van zijn leven
Vleiers meer gehoor te geven.
- Goed! Maar 't was een beetjen laat.

De Kikker die even groot als een os wilde zijn


Een os stond in de wei te dromen bij een beek
En zag hoe daar vlakbij een kikker hem bekeek.
Hij was zichtbaar jaloers, niet groter dan een ei,
Maar kwaakte kwaad:
"Kijk, kijk! 'k Word net zo groot als jij!"
De os sloeg met zijn staart en stond zich te verbazen.
De kikker rekte zich, begon zich op te blazen.
Hij blies en blies, hield zich even in
En vroeg: "Is dit geen goed begin?
Ben ik op weinig tijd niet reuze aangekomen?"
De os zei: "Boe!" En bleef maar voor zich uit staan dromen.

De kikker wond zich op, begon met nieuwe moed
Hij voelde alles spannen. "Is het nu nog niet goed?"
"Boe!" deed de os bedroefd. "Het lijkt er echt niet op.
Niet groter dan een pad, maar met een dikke kop!"
Nu werd de kikker woest, hij duwde, blies en balde
Zijn spieren plots zo hard dat hij aan flarden knalde

De wereld barst van waan en nijd
Om wie de snelste auto rijdt
Het grootste huis. De verste reis.
Ach, is dat allemaal wel wijs?

De raad der ratten


Een kater, Rodilardus heette hij, was zeer berucht.
Hem kon geen rat meer zien
of die sloeg voor hem op de vlucht.
Hij had er zoveel koud gemaakt,
De kop en poten afgekraakt,
Dat zij die overleefden bleven beven in hun hol.
Zij hadden niet veel eten, waren van de honger dol.
Voor hen was Rodilarcdus niet zo maar een nare kater.
Nee, voor dit arme rattenvolk was hij zowaar een sater!
Toen kwam de tijd dat hoog en ver over daken liep
En krols miauwend lief naar een van zijn vriendinnen riep.
Terwijl hij heel het weekend lang zijn dame bleef versieren,
Hielden de ratten de synode der bedreigde dieren.
Althans, wat ervan overbleef kwam samen in een hoek.
De deken van de ratten zei: "Wij zijn misschien niet kloek,
Maar slim; dus moeten wij de kater straks de bel aanbinden.
Zo kunnen wij als hij op jacht gaat
snel een schuilplaats vinden."
Eenieder vond: "De deken is geniaal, hij weet het wel.
Maar het probleem is: wie van ons bevestigt deze bel?"
De ene zei: "Mij niet gezien, ik ga er niet naar toe."
De andere: "Ik durf niet meer, ik ben te traag en moe."
Zo kropen zij weer in hun hol en werd er niets gedaan.
Zo heb ik menige synode ook uiteen zien gaan,
Synoden niet van ratten, maar van herders van de kerk,
van monseigneurs, en ook daar is de vraag:
"Wie doet het wekt?"

Waartoe dient goede raad?
Het hof heeft raadgevers met hopen.
Maar mannen van de daad,
Die zie je echt zo dik niet lopen.

De leeuw en de rat


Wil wien gij kunt een dienst bewijzen,
Daar toch uw mindere u zeer noodig wezen kan!
'k Weet daar een tweetal faablen van:
Zoo zeker is de leer, die ik u aan wil prijzen.

Een rat, die uit zijn gaatjen sloop,
Viel in de klauw eens leeuws. De sukkel had geen hoop.
Maar aller dieren Vorst, geneigd eens blijk te geven
Van 'tgeen hij waarlijk was, schonk d'armen drommel 't leven.
Een weldaad vindt haar loon. Wat leeuw die ooit een rat,
-Zoo denkt men licht- van nooden had?
En toch, te midden van zijn koninklijke gangen
Vond onverwachts de leeuw zich in een net gevangen:
En of hij woelde en of hij dreet,
Het web des jagers hield hem beet.
Maar meester rat snelde aan, doorknabbelde de mazen:
En gaf den leeuw zijn vrijheid weer!

Geduld en Tijd vermogen mťťr
Dan woeste Kracht en grimmig razen!

De oorlog van de ratten en de wezels

't Wezelvolkje, net als katten,
Is gebeten op de ratten.
Maar hoe slank ook wezels zijn,
Rattegaatjes zijn te klein.
Door het poortje naar hun holen
Blijven ratten goed verscholen
En in grote veiligheid.
Toch kwam er een slechte tijd,
Toen na kinderrijke jaren
Er eens hťťl veel ratten waren
En hun koning Ratapon
Daar een uitweg op verzon.
Vlug zijn volk mobiliseren!
Oorlogen elimineren
Het geboorteoverschot
En hij was op roem verzot.
Deze oorlog kwam te pas
Voor het sluwe wezelras.
Voor geen rat zouden zij zwichten.
Volgens de nieuwsberichten
Was de strijd eerst wisselvallig.
Toch vloeide het overtallig
Rattebloed steeds meer en meer
En viel op het veld van eer
Bataljon na bataljon.
Omdat het niet anders kon
Trok het rattenheir zich terug
En voor dekking in de rug
Vochten bitter Artapax,
Psicarpax, Meridarpax,
Kolonels met heldenmoed.
Zij verdedigden zich goed,
Onder bloedig stof en slijk,
Maar de strijd was ongelijk.
Nee, geen moed kon hier nog baten,
Legerleiding en soldaten
Sloegen ijlings op de vlucht,
Angstig piepend zonder tucht.
Ach, dit zou noodlottig worden,
Want hoewel de wilde horde
Van de vluchtende soldaatjes
Goed zijn weg vond door de gaatjes,
Bleven hoge officieren,
Onder zwaaiende banieren,
Met hun pluimen op hun helmen
Steken. Kijk, de kleine schelmen
Waren nu wel uit de nood,
Maar de prinsen gingen dood.
In hun pracht en praal gekluisterd
Door de wezels, droevig loon
Voor panache en machtsvertoon.

Och, je moet er niet om vragen
Om een verbos te dragen.
Menig man in vol ornaat
Blijft vaak steken waar hij gaat.
Maar zij die geen praal verlangen,
Zijn ook voor geen gat te vangen.

Het visje en de visser


Het kleine visje wordt wel groot.
Als God het wil gaat het niet dood.
Maar, hangt het eenmaal aan de lijn.
Dan zou het toch wel zonde zijn
Het weer te gooien in het water.
Wie zegt dat je dit visje later
Nog terug zult zien? En zo verging
Het ook de karper, die daar hing
Te spartelen. Hij was nog jong.
En toen hij in zijn handen sprong
Zei keurend onze visser:
"Een kleintje.. maar hij is er.
En klein visjes samen zijn."
Toch het begin van een festijn.
Ik gooi het in mijn emmertje
Maar 't pientere, gladde zwemmertje
Zei: "Ach, wat kunt u met fatsoen
Met mij, zo'n visje, toch wel doen?"
Ik vul niet eens een halve mond
Wacht tot ik groot ben, vet en rond.
En als ik eenmaal groot zal wezen,
Kom ik terug, u moet niet vrezen.
Uw klant zal dan ook zonder dralen
De hoogste prijs voor mij betalen.
Een kleine karper brengt geen baat
U heeft er honderd van mijn maat.
Wel nodig voor ťťn visgerecht
En zelfs dan eet u nog slecht."
"Wat slecht?" vroeg toen de visser.
"Ik heb jou wel in de gaten!
Mijn lieve vis en vriend, jij kunt zo goed als Brugman praten
Wie weet krijg ik je later ooit nog eens opnieuw te pakken?
Nee, jij gaat in de pan, vanavond ben je al gebakken."

Eťn visje in de hand is beter dan twee vissen in de vliet.
Dat ťne heb je zeker, van de andere weet je't niet.

De ezel met de relikwieŽn


De ezel met de relikwieŽn
Een langoor liep voor een pastoor,
Met relikwieŽn, wijl het koor
In de processie zong. Hij snoof
De wierook in het vast geloof
Dat alle eer en het gezang
Voor hem bedoeld was. Maar niet lang
Heeft het geduurd, voor hij het wist
Dat hij zich deerlijk had vergist.
Want iemand zei: "Zeg, meester ezel!
Jij bent nog erger dan een kwezel.
Zo dom met al die heilige schijn
Kan maar alleen een ezel zijn.
De eer die jou zozeer behaagt,
Geldt de relieken die jij draagt!"

Zo wordt een domme magistraat
Heel vaak vereerd om zijn gewaad.

De koets en de vlieg


De weg was steil en zanderig, de zon verschroeiend heet.
Zes paarden sleurden aan de koets,
die moeizaam verder reed;
Een monnik, brouwen, grijsaards strompelden er achteraan
Het paardespan bleef, dampend van het zweet,
heel even staan.
Een vlieg kwam aangevlogen, gonsde rond de paardekoppen.
"Zozo, zijn jullie nu al moe? Er valt hier niet te stoppen!"
Ze pikte heel venijnig de zes paarden op hun snuit
En dacht: "Dat zal ze leren. Zo komt deze koets vooruit!"
Over de dissel kroop ze naar de neus van de koetsier.
Toen plots de koets weer in beweging kwam, richtte zij fier
Haar ogen op de passagiers die ook weer verdergingen.
Ze dacht: "Ben mij maar dankbaar."
En zij vloog in brede kringen
Luid brommend om de mensen heen.
Ze leek wel een sergeant,
Die op het slagveld roept: "Ten strijde voor het vaderland!"
En dan gaat zitten. "Ach, ik ben de enige met moed.
Wie zet die paarden aan tot nog meer vlijt en spoed?
Die monnik leest maar zijn brevier.
Hij reist voor god en zijn plezier.
En hoor die vrouw daar maar een zingen
In plaats van even bij te springen."
Vrouw vlieg werd boos
En blies toen loos
Maar hard in elk oor:
"Zeg, loop wat vlugger door!"
Ze maakt salto's in de lucht
En remde plots toen in de vlucht
Zij zag hoe eindelijk de koets de berg had overwonnen.
Zij zuchtte: "Ach, wat waren ze hier zonder mij begonnen!"
Nu vloog ze naar de paarden toe.
"Laat mij wat rusten. Ik ben moe.
Door mijn geslaaf kan iedereen weer deze koets bestijgen.
Wat geef je mij hiervoor?" Ze kreeg wat paardevijgen.

Zo steken mensen al te vaak hun neus in ieders zaken
En wekken graag de indruk dat zij zich onmisbaar maken.
Ze zijn niemand tot nut en kunnen iedereen maar plagen.
Gebruik je brein en vliegmepper om ze weg te jagen.